Mama bellen

Groep 3. We moeten elkaar nog leren kennen. En alles is nieuw: de methode voor aanvankelijk leesonderwijs, het werken, opletten, luisteren en onthouden. We zijn er allemaal van onder de indruk: zowel de kinderen als ik. 

Aan het einde van de tweede week, staat Lisette naast me. Met haar donkere ogen kijkt ze me ernstig aan. “Ik heb buikpijn. Vannacht moest ik ook al overgeven. Wil je mama bellen?” Ik twijfel. Ik ben altijd geneigd mee te gaan in het verhaal van de kinderen, omdat ik vind dat ik ze serieus moet nemen en ze zelf het beste weten hoe ze zich voelen. Ze zal echt buikpijn hebben, maar is het misschien iets wat we op school kunnen oplossen? Ik ga op mijn hurken naast haar zitten en probeer in gesprek te gaan, maar ze kijkt weg en houdt vol. Ik beloof haar dat ik in de pauze haar moeder zal bellen. De moeder geeft aan dat ze haar dochter moe vond en overprikkeld. Ze haalt haar dochter op. 

Het is een week later. Lisette staat naast me. “Wil je mama bellen?” Ik neem het meisje mee naar een rustig plekje op de gang en probeer er achter te komen wat er aan de hand is. Ik vraag of mama moet werken. Ze knikt ter bevestiging. Ze leunt voorzichtig tegen me aan, kijkt naar me vanonder haar wimpers en zucht dan: “en vandaag komt de stomme oma me halen. Die oma is niet zo lief. Ze praat zo boos. Ik mis mama dan heel erg.” Ik begrijp het en ik begrijp gelijk ook waarom ze vraagt om mama te bellen. Vorige week kwam mama haar zelf ophalen, zo omzeilt ze de oma. Lisette vraagt niet door, kennelijk is het benoemen van haar gevoel voor nu genoeg.  Ze huppelt naar plekje.

Advertenties

Intens

Vooraan in het lokaal zit Robert. Robert is een, voor zijn leeftijd, grote jongen. Hij heeft zin in groep 3, maar vindt stilzitten echt heel lastig. Hij draait op zijn stoeltje, duwt zijn tafeltje gedurende de dag steeds een stukje verder naar voren en kruipt tijdens het werken bijna bij zijn buurman op schoot. Soms heeft hij geen zin in werken en dan stopt hij zijn werkboekjes in zijn laatje, zonder het in te leveren. Hij vertelt dat altijd heel eerlijk. En soms kan hij echt niet meer zitten en valt hij van zijn stoel op de grond. Daar blijft hij dan even liggen om de prikkels te dempen: even niets… Vandaag was het tijd voor de leestoets na kern 1. De toets die veel tijd kost en bevestigt wat ik al weet. Als het Robert zijn beurt is, komt hij naast me zitten op het krukje dat voor hem klaar staat. De letters kent hij prima en dreunt hij vriendelijk voor me op. Daarna mag hij woordjes lezen. Zoveel mogelijk binnen een minuut. Hij draait op zijn kruk, wrijft in zijn ogen, gaapt, legt zijn hoofd op tafel en leest ondertussen stug door. Het lezen gaat prima. Maar wat is hij moe! Als hij klaar is, zegt hij verbaasd: “ineens zit ik in groep 3. En ik weet niet waarom! Eerst was ik in groep 1, toen in groep 2, toen moest ik nog een keer in groep 2 en nu mag ik in groep 3. Ik denk omdat ik me goed heb gedragen. Hij knikt voor zich uit, deze verklaring is aannemelijk. Hij laat zich van de kruk vallen, belooft de volgende lezer te roepen en struikelt de klas binnen. Het volgende kind haal ik uiteindelijk zelf op en ik zie nog net dat Robert zijn schrijfschrift in zijn la propt. 

‘S middag doen we tijdens de rekenles verschillende spelletjes in tweetallen. Er wordt hard gewerkt. Maar ik zie Robert de dobbelstenen omhoog gooien richting het plafond en daarna op de grond duiken om ze te vangen. Ik pak een stoeltje en ga tussen Robert en zijn maatje zitten. Ik kijk eerst eens hoe ze aan het spelen zijn. Ze spelen: “wie gooit het meest?” Met twee dobbelstenen gooien de kinderen op tafel. Degene met de hoogste punten mag een fiche pakken. Degene met de meeste fiches wint. Ik leg het ze nogmaals uit, laat ze gooien met de dobbelstenen en de punten tellen. Robert glimt van plezier als hij een fiche mag pakken. Hij glimt nog meer wanneer zijn tegenspeler een keer gewonnen heeft. Het mannetje heeft zoveel plezier in het spelen van een gezelschapsspelletje, dat is aandoenlijk om te zien. Daarna is het bordspel van de methode aan de beurt. Ik leg hem uit dat hij maar met één pion mag lopen, alleen vooruit mag lopen en dat ze omstebeurt mogen gooien. Het is overduidelijke allemaal nieuw voor hem. Hij gaat er enthousiast mee aan de slag. De dobbelstenen vliegen de klas door, hij is inmiddels gaan staan en moedigt zijn maatje luidkeels aan. Hij geniet met volle teugen. Na het rekenen gaan we nog even buitenspelen. Daar krijg ik een dikke knuffel van hem. En nog één. Hij zucht erbij. En ik ook.  Wat een intensiteit.

Op naar de vierde

Kroatië ligt inmiddels zo’n 900 kilometer achter ons en we naderen huis en dus ook school. Dochter, die het heerlijk heeft gehad  in Kroatië, met veel vrienden, zwembad en zon, ontwaakt op de achterbank. Ze kruipt wat naar voren en kletst in mijn oor. ‘Ik ga al bijna naar de vierde, ik geloof het zelf bijna niet!’ ‘Op school hoorde ik dat het derde jaar het zwaarst is en dat de vierde minder druk is. Ik heb natuurlijk ook niet meer alle vakken. Dat scheelt ook.’ Ze zucht eens flink in mijn rechteroor. ‘Ik ben zo blij dat ik geen geschiedenis meer heb! Dat is wel raar eigenlijk, want ik vind geschiedenis best interessant. Zoals nu op vakantie is het best leuk om meer over de geschiedenis van Kroatië te weten of te leren kennen.” Ik knik, al ziet ze dat niet. ‘Maar schoolgeschiedenis is stom. Ze moeten dat anders indelen. Geschiedenis per werelddeel, met de aardrijkskunde en de taal erbij. Dan heb je een overzicht. Nu leer je kleine stukjes en vaak moet je ook nog bepaalde verbanden en oorzaken in eigen woorden beschrijven, terwijl ze maar alleen de antwoorden uit het boek goed vinden. Dat snapt mijn hoofd niet. Ik ga dan zover doordenken, dat ik niet goed meer kan verwoorden wat ik bedoel.” Ze zwijgt even. Ik knik maar weer eens en Zoon doet hetzelfde. ‘En als laatste moet je dan ook vaak nog je mening geven. En die kan ook nog eens fout zijn! Geef mij maar gewoon natuurkunde en wiskunde. Dat is gewoon duidelijk.’ Ik vertel haar over de geschiedenisleraar op mijn middelbare school, die discussies uitlokte en ons het nieuws liet kijken, zodat we in de les alles konden bespreken en bekijken vanuit verschillende standpunten. ‘Als het zo zou zijn, zou ik het echt leuk vinden.’ Ze zucht. Tot zover het kijkje in hoofd van Dochter. Achter me haalt ze diep adem en begint een verhandeling over het verschil tussen Duits en Frans. Waarbij Frans de voorzichtige winnaar is. Duits doet niet meer mee dit schooljaar. Op naar de vierde, maar eerst nog een weekje vrij.

Groot en klein 

Ze kruipt tegen me aan, terwijl ik op de bank appjes uitwissel met vriendinnen. Haar hoofd op mijn heup, haar pasgewassen haar maakt een natte plek op mijn broek. Ondertussen kletst ze honderduit over de afgelopen dagen. Vandaag heeft ze gezwommen met een vriendin. Gisteren ging ze picknicken met 7 vriendinnen. Omdat het weer niet veelbelovend leek, regelde ze dat iedereen naar onze achtertuin kwam zodat ze eventueel de picknick in de woonkamer konden voortzetten. De dagtocht naar Walibi, waarbij ik vorige week als chauffeur mee mocht, heeft ze effectief geregeld. Met 7 meiden en 2 ouders hadden we een hele leuke dag. Ze heeft gelogeerd bij een vriendin na een feestje en had ook nog een logeerfeestje met een aantal meisjes. Ik geniet van haar verhalen. Zo langzamerhand vertrekken de dames omstebeurt richting hun vakantieadres en verschuift Dochter haar aandacht naar mij. “Ik houd ervan als je vakantie hebt. Je bent nu veel gezelliger. Aan het begin was je heel chagrijnig.” ze aait mijn knie. Auw…ze schoot raak….ik was zo moe, dat ik mijn rust niet kon vinden de eerste dagen. Ik geef toe: “ik was niet zo aardig”. Ze knikt “geeft niks hoor mam. Je had een druk jaar”. Ze heeft gelijk. Het was druk. Ik wist gewoon even niet meer hoe ik dat moest doen: ontspannen. De laatste twee dagen voel ik gelukkig dat dat beter gaat. Ze aait fanatiek door. “Gaan we ook nog samen naar een museum? Dat vind ik altijd zo leuk”. Ik stel een museum voor en ze kijkt er blij bij. “En het strand? Gaan we daar ook een keer heen?” Ik knik. Tevreden kruipt ze nog wat dichter tegen me aan. Soms lijkt ze zo groot, mijn Dochter van 14, soms lijkt ze zo klein. Ze staat op om naar bed te gaan en geeft me een kus. “Als het gaat onweren, kom ik bij je liggen!” Ze loopt de trap op. Mijn grote, kleine Dochter. 

Hobbels in de weg

Zoon zit naast me in de auto. Voor een vrije dag is het best vroeg. We zijn op weg naar het Media College in Amsterdam, waar hij het eerste jaar heeft afgerond met prachtige cijfers en docenten die hem vertelden dat hij ‘geknipt is voor het vak van geluidstechnicus’. De enige te nemen hobbel is Nederlands. Vanwege zijn zeer ernstige dyslexie lijkt het de docent Nederlands dat het examen te moeilijk is voor Zoon. Daarom rijden we nu naar Amsterdam: we moeten een plan gaan maken. Na alle hobbels en bergen die we in het verleden al genomen hebben, lijkt dit een minder heftige te zijn, besluiten we samen.  Zoon is vastbesloten dat examen gewoon te gaan halen en wijst het idee van externe bijles resoluut van de hand. Mijn hulp neemt hij graag aan. Ik ken hem en ik weet dat hij, als het echt moet, zich voor 200% kan inzetten om dit te gaan doen. En hij weet dat ik dat weet. Ik heb de afgelopen jaren gezien dat intrinsieke motivatie de sleutel is. Hierop heeft hij zijn eindexamen VMBO gehaald en dit eerste jaar afgesloten met prachtige cijfers. Dit is wat hij wil en dit is wat hij kan. Het maakt hem een krachtige, autonome jongen. Ik zie de jongvolwassene die aan het worden is, die het heft in handen gaat nemen, voor zijn eigen leven en geluk. En gelukkig ziet zijn coach dat ook. Ze geeft hem aan vertrouwen in hem te hebben en dat ze het heel fijn vindt dat Zoon in haar klas zit. Na het gesprek gaan we vol goede moed naar buiten om samen nog ergens wat te drinken.  Mijn grote, mooie kind en ik.

Why? 

‘We’ staken. Een heel uur lang zijn veel basisscholen dicht. En ik vrees dat veel leerkrachten dat uur gebruiken om te werken. Laatst nog verzuchtte een collega: “ooit hadden we nog weleens een rustige periode in een schooljaar. Nu is het altijd druk en zijn er piektijden waarin je dreigt te verdrinken in al het werk dat gedaan moet worden”. En laten we nu in zo’n tijd zitten: het einde van het schooljaar betekent: oudergesprekken voorbereiden, voeren en registreren. Cito-toetsen afnemen, analyseren en registreren, rapporten schrijven, groepsplannen evalueren en aanpassen, je groep overdragen en daarnaast een sportdag organiseren, een ouderbedankdag, thema’s afsluiten, je klaslokaal schoonmaken en de meubeltjes opstapelen. Dat dus. 

Het onderwijs en ik, wij zijn met elkaar vergroeid. Ik maak me daarom zorgen vanwege de hoge werkdruk, de enorme verantwoordelijkheid die groter en groter wordt, maar ook vanwege het logge systeem dat zich niet, of maar mondjesmaat, laat vernieuwen. Daar zou eens naar gekeken moeten worden. Wat hebben kinderen van nu anders nodig dan het onderwijs biedt? Op welke manier kan het onderwijs ingericht worden zodat ieder kind zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen? Hoe passend is passend onderwijs en hoe kan het anders? Hoe toekomstgericht is het onderwijs? Ik denk eerlijk gezegd dat het allemaal met elkaar te maken heeft en dat we (politiek en onderwijs) eerst eens moeten kijken naar het ‘why’ …..

Plakband

Daar is Joep. Hij is vier jaar, heeft heldere blauwe ogen en lichtblonde stekeltjes. Het is een gevoelig mannetje, hij houdt er niet van om aangeraakt te worden, ervaart pijn intens en voelt ‘nee’ als een harde persoonlijke afwijzing. Joep kijkt de kat uit de boom. Hij kijkt sowieso veel, dat is hoe hij leert. Hij kijkt en kijkt en wacht tot hij het veilig genoeg vindt. Joep houdt van bouwen. In de ‘grote’ bouwhoek maakt hij prachtige en vooral hoge gebouwen. Hij verzoekt mij steeds om te komen meten: is dit gebouw al hoger dan de juf? Hij trekt ook conclusies: ‘nog een hoofd erbij!’ Als het af is, gooit hij de toren om. Dan heeft hij de grootste lol, vooral als ik doe alsof ik schrik. Want van harde geluiden houd ik niet. En hij ook niet. Gymmen vindt hij niet zo leuk. Hij kleedt zich keurig om en gaat dan op de bank zitten kijken. En dat mag. Want ook durven gymmen moet je oefenen. Vorige week deden we een estafette waarbij we steeds een blok naar de overkant moesten brengen. Sanne wilde dat best doen, maar alleen samen met mij. Ik vroeg Joep of hij me wilde helpen: met Sannes hand vast, kon ik het blok niet tillen! Joep aarzelde even, maar besloot toen dat hij best wilde helpen. Met z’n drieën renden we naar de overkant, waar Joep het blok in de hoepel legde. Tijdens de hele estafetteloop rende hij de beentjes onder zijn lijf vandaan, blokken versjouwend. Ik bedankte hem voor zijn fijne hulp. Hij besloot dat hij me daarna ook wel wilde helpen bij het ‘hoepeltje verwisselen’ en hield mijn hand vast, terwijl hij me wees naar welke hoepel we het best konden rennen. Zijn ogen straalden en zijn blonde stekeltjes waren nat van het zweten. 

Vanmorgen wilde Joep verven. Dat mocht natuurlijk. Ik was druk met  een groepje kinderen die zonnen knipten en plakten, dus ik kon hem niet helpen toen hij plakband nodig had. Hij keek me peinzend aan en aan zijn blik zag ik dat hij wilde gaan huilen. ‘Ik weet zeker dat jij er een oplossing voor vind!’ beloofde ik hem. Na enig denkwerk, schoof hij zijn stoeltje bij, pakte het plakbandapparaat en toog naar het schilderbord. Samen met een ander kind hing hij vakkundig zijn papier op: schots en scheef en met genoeg plakband voor minstens 10 papieren. Toen diende zich een volgend probleem aan: het dichtdoen van het verfschort. Omdat ik nog steeds druk was met de zonnen, adviseerde ik hem iemand anders om hulp te vragen. Hij aarzelde weer, maar deed het toch. Hij verfde wat strepen op het papier en was toen klaar, zei hij. Want: “ik wil er nogéén      maken!” ik knikte hem begripvol toe. Vanachter mijn plakkende groepje, keek ik toe hoe Joep opnieuw het stoeltje bij schoof, plakband pakte, een papier regelde en het vastplakte. Hij keek of ik het zag. Ik stak mijn duim op: “je kunt het helemaal zelf!” Joep straalde.